28/04/2021 - 00:00
De bodemkunde zit vol acroniemen! We bespreken er 11 in detail in dit blogartikel. Van pH tot pF, van CEC tot HC. Netjes opgelijst, in duidelijke taal uitgelegd en rijkelijk geïllustreerd.
Een acroniem of "letterwoord" is een afkorting, die wordt uitgesproken als een woord. Elke letter stelt een apart woord voor, zoals in een initiaalwoord.
De bodemkunde zit vol acroniemen! We bespreken de meest gebruikte termen in detail , netjes gerangschikt in alfabetische volgorde:
De pH is een maat voor de zuurtegraad of alkaliniteit van een bodem.
De pH schaal is logaritmisch en omgekeerd evenredig met de concentratie van waterstofionen (H+) in een oplossing. De pH schaal gaat van 1 to 14.
Onderstaande tabel toont de pH-waarde van een aantal veel voorkomende oplossingen:

De bodem pH is heel belangrijk voor de plantengroei:
De meeste gewassen verkiezen een neutrale of licht zure pH, omdat de oplosbaarheid van de nutriënten die belangrijk voor een gezonde plantengroei het hoogst is bij een pH tussen 6,3-6,8. Sommige planten houden meer van meer zure (bv. aardappelen en aardbeien) of meer basische (bv. brassicas of kolen) groeiomstandigheden.
Wanneer de pH onder de 5,5 valt, dan worden de meeste macro-elementen (stikstof (N), fosfor (P), kalium (K), zwavel (S), magnesium (Mg) en calcium (Ca)) onoplosbaar en kunnen ze bijgevolg niet meer opgenomen worden door de wortels. Dit geldt ook voor sommige micro-elementen.
Veel positief geladen ionen (of "kationen" zoals zink (Zn2+), aluminium (Al3+), ijzer (Fe2+), koper (Cu2+), kobalt (Co2+) en mangaan (Mn2+)) zijn wel oplosbaar en dus plantbeschikbaar bij een pH lager dan pH 5,0. Maar hun aanwezigheid kan net te hoog worden en dus vanaf een bepaald niveau toxisch. Omgekeerd, in meer alkalische omstandigheden zijn ze minder beschikbaar, waardoor er gebreksverschijnselen kunnen optreden bij de planten.
Onderstaande tabel illustreert hoe de pH de beschikbaarheid van voedingstoffen beïnvloed:

De CEC of de kationenuitwisselingscapaciteit, in het Engels cation exchange capacity genoemd, is de capaciteit van de bodem om kationen uit te wisselen.
De kleimineralen en het organisch materiaal in de bodem hebben negatief geladen plaatsen aan hun oppervlak. Ook plantenwortels hebben een netto negatieve elektrische lading.
Net zoals bij een magneet zullen positief geladen deeltjes (kationen) door deze negatieve ladingen worden aangetrokken. Sommige van deze kationen zijn cruciaal voor de plant:
Eenvoudig gezegd: bodems met een hoge CEC zijn "vruchtbaarder", net omdat ze meer van deze kationen kunnen uitwisselen. Er is steeds nood aan evenwicht: kationen wedijveren voor een plaatsje op die negatief geladen plaatsen. Wordt er m.a.w. een kation uit het complex verwijderd, dan wordt diens plaats meteen ingenomen door een ander kation. Sommige kationen zijn sterker gebonden dan andere: die zijn dan ook moeilijker uitwisselbaar.

CEC wordt gemeten in meq/100g. De CEC van een bodem is hoger als ook het gehalte klei en organisch materiaal hoger is.
| Er is een relatie tussen bodemtextuur en CEC | |
| Bodemtextuur | CEC (meq/100g soil) |
| Zand | 3-5 |
| Leem | 10-15 |
| Siltig leem | 15-25 |
| Kleileem en klei | 20-50 |
| Organische bodem | 50-100 |
De CEC van een bodem kan verhoogd worden door er bodemverbeteraars met een hoge CEC in te mengen. De CEC-waarde van TerraCottem bedraagt meer dan 150 meq/100g. Dit komt vnl. door de hoge CEC van de dragermaterialen en vooral door de waterabsorberende polymeren (hydrogels of waterkristallen). Dit zijn gecrosslinkte polymeerketerns met talloze negatieve geladen groepen op hun chemische structuur:

Er is een rechtstreeks verband tussen de pH van een bodem en de CEC. De CEC zal op haar laagst zijn bij een pH tussen 3,5-4,0. Net omdat er een verband is tussen beide, is het aangeraden om de CEC te meten bij een neutrale pH (pH7). Opmerking (zie de figuur hieronder): bij een lage pH is het ook mogelijk dat er enkele positief geladen plaatsen ontstaan op welbepaalde kleimineralen. Deze kunnen dan negatief geladen ionen (anionen) uitwisselen zoals bv. chloride (Cl-) en sulfaat (SO42-).

Bodemkationen kunnen ingedeeld worden in 2 groepen:
De adjectieven "basisch" en "zuur" refereren naar het effect van de kationen op de bodem pH. Een bodem met veel zure kationen op de kleideeltjes zal een lage pH hebben. Omgekeerd, in bodems met een hoge pH zullen er veel basische kationen op het bodemcomplex zitten.
(*) In tegenstelling tot ammonium, calcium, magnesium en kalium is natrium geen essentieel element voor de planten. Bodems met een te hoog gehalte aan natrium kunnen saliniteitsproblemen hebben.
NPK staat voor stikstof (nitrogen (N)), fosfor (phosphorus (P)) en kalium (potassium (K)). De 3 letters worden steeds gevolgd door 3 cijfers, bv. 20-8-5, wat staat voor het percentage van deze componenten in het product.
Om helemaal accuraat te zijn:
|
Opmerkingen:
In het eerder vermelde voorbeeld van NPK 20-5-8 bevat een 20kg zak van die meststof dus 20% stikstof, 8% difosforpentoxide en 5% kaliumoxide. Dus:
Nog 2 voorbeelden:
|
"Omhoog, omlaag en rondom"

Dit is een goed ezelsbruggetje om de functie van elk element te onthouden:
Het organisch materiaal in de bodem bestaat uit resten van planten en dieren, in verschillende stadia van ontbinding, uit cellen van micro-organismen en uit verschillende types afbraakstoffen.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen "levend" en "dood" organisch materiaal:

Er zijn 4 hoofdprocessen in de organisch materiaalcyclus in de bodem. Allemaal hangen ze af van bodemmicro-organismen:
Humus is dus het "eindproduct" van de afbraak van organisch materiaal. Het geeft de bodem zijn donkerbruine kleur. Over het algemeen is humus het hoofdbestanddeel van het totaal gehalte aan organisch materiaal.
Humus bestaat uit:
|
Compost is niet hetzelfde als humus! Compost is licht verteerd plantenmateriaal. Zelfs "rijpe" compost is slechts een klein beetje verteerd. Voeg je compost toe aan je tuin, dan zal de verdere afbraak nog jaren duren. |
| C:N Ratio |
|---|
|
Dit is de verhouding tussen het gehalte aan koolstof en stikstof in het organisch materiaal. Er zal steeds meer koolstof dan stikstof aanwezig zijn. Een ratio van 20:1 bv. betekent dat er voor elke 20g koolstof slechts 1g stikstof in het organisch materiaal aanwezig is. Hoe lager de C:N ratio, hoe sneller er stikstof zal vrijkomen voor consumptie door de planten.
|
Het meeste organisch materiaal heeft een plantaardige oorsprong:
Dit brengt ons meteen bij de voordelen van organisch materiaal:
|
(*) Opmerking: onder de beheerders van sportvelden is er veel discussie over de rol van organisch materiaal. In zanderige terreinen kan OM makkelijk accumuleren aan de basis van de grasplanten. Dit wordt de "viltlaag" genoemd, die de drainage sterk kan verminderen. De vorming van de viltlaag heeft verschillende oorzaken: o.a. de relatief lage microbiële activiteit in deze zanderige profielen en een overdosering van stikstof. Het onderhoud van dergelijke sportvelden moet dan ook zeer zorgvuldig gebeuren en het gehalte aan organisch materiaal moet sterk gemonitord worden om binnen de gewenste hoeveelheden te blijven. |
De waterretentiecapaciteit (WRC) is de capaciteit van een bodem of product om fysisch water te kunnen vasthouden.
De WRC wordt vaak uitgedrukt als v/v (volumepercentage) of w/w (gewichtspercentage).
Twee factoren hebben een heel grote invloed op de waterretentie van een bodem:
Bodems met veel kleine deeltjes (leem en klei) hebben een relatief groter totaal oppervlak dan bodems met veel grote korrels (zand). Een groter oppervlak laat op zijn beurt dan weer toe om meer water vast te houden. Op basis van het percentage zand, leem en klei in een bodem kunnen we 12 textuurgroepen onderscheiden. Die worden visueel voorgesteld in een textuurdriehoek:

|
Voorbeeld: een bodemstaal heeft 65% zand, 27% klei en 8% silt. |
Deze 12 bodemtypes hebben een verschillende waterretentiecapaciteit:

De relatie tussen het volumetrisch vochtgehalte in de bodem en het waterpotentiaal (d.i. de zuigkracht die de bodem uitoefent op dat water) wordt voorgesteld in een waterretentiecurve of pF-curve.
De term pF is afkorting voor "Potenz" (of "exponentiëren") en "Freier energie" (of "vrije energie").
| Een drainagebuis op een diepte van 100cm bijvoorbeeld zal een zuigkracht van 100cm waterhoogte uitoefenen, wat gelijk is aan pF2. |
Kijk je even naar deze video? De spons stelt de bodemmatrix voor:
Doordat de waterretentiecapaciteit sterk afhankelijk is van de bodemtextuur (en het gehalte aan organisch materiaal), zal de vorm van de pF-curve ook veranderen i.f.v. de bodemtextuur. Een algemene vorm voor een klei-, leem- en zandbodem ziet er zo uit:

De hoeveelheid beschikbaar water in een kleibodem is veel groter dan in een zandbodem:

| Bij VC is het volumetrisch vochtgehalte in deze zandbodem (links) +/- 8%; bij VP slechts 2%. De hoeveelheid PAW is dus 8-2 = 6% beschikbaar water voor de plant in deze bodem. In deze kleibodem (rechts) is het volumetrisch vochtgehalte bij VC +/- 47%; bij VP +/- 28%. Er is dus 47-28 = 19% PAW. |
Dit is ook de reden waarom een kleibodem met 20% water er in "droog" zal aanvoelen en een zandige bodem met 10% water "vochtig". De WRC van bodems kan je verhogen door er speciaal voor dit doel bestemde bodemverbeteraars aan toe te voegen.
Om te besluiten:
Onderstaande figuur toont voor elk van de 12 bodemtypes de hoeveelheid PAW:

De elektrische geleidbaarheid of EC (uit het Engels: Electrical Conductivity) is een maat voor de hoeveelheid zouten in een bodem (het zoutgehalte van de bodem).
De elektrische geleidbaarheid geeft ons enkel een idee van de totale hoeveelheid zouten, niet van welke zouten er specifiek aanwezig zijn.
Het is een heel belangrijke parameter m.b.t. de gezondheidstoestand van een bodem. De EC heeft nl. effect op:
Als de EC te hoog is, dan zal die de waterbalans in de bodem verstoren en plantengroei inhiberen.
Bodems met een hoog zoutgehalte komen van nature voor in aride en semi-aride gebieden. Maar ook de mens kan het zoutgehalte in een bodem verhogen door een slechte gewaskeuze, een verkeerde irrigatie, ondoordacht landgebruik en overdosering (of verkeerd gebruik) van meststoffen en compost.
|
Enkele voorbeelden:
|
De elektrische geleidbaarheid in een bodem wordt uitgedrukt in μS/cm (of mS/cm), dS/m of ppm:
Zowel de bodemtextuur als de CEC hebben een effect op de EC:
Op basis van de EC - waarde kan je de saliniteit onderverdelen in een aantal klasses:
| ECe methode (dS/m) (*) | ||||
| Niet zout |
Licht zout |
Matig zout |
Sterk zout |
Extreem zout |
| 0 - 2 | 2 - 4 | 4 - 8 | 8 - 16 | > 16 |
| (*) Er zijn verschillende manieren om de EC te bepalen: ECe (op de "pasta" van een verzadigde bodem), EC1:1 (op een mengsel van bodem en water in een ratio van 1:1), EC1:5 (op een mengsel van bodem en water in een ratio van 1:5), ... | ||||
De zouttolerantie van een plant is het maximaal zoutgehalte dat de plant kan weerstaan, zonder dat er symptomen optreden van verminderde groei of productie:
De hydraulische geleidbaarheid of HC (uit het Engels: hydraulic conductivity) van een bodem is diens vermogen om water door te laten, onder verzadigde of bijna verzadigde omstandigheden.
De hydraulische geleidbaarheid is een "debiet" en wordt daarom uitgedrukt in het volume water per eenheid van tijd.
Vaak wordt de hydraulische geleidbaarheid gelijkgesteld aan de infiltratiesnelheid, maar vanuit wetenschappelijk standpunt is dit niet helemaal juist:
De infiltratiecapaciteit zal veranderen gedurende een fikse regenbui of irrigatie. In het begin zal die infiltratiesnelheid vrij hoog zijn om dan af te nemen. Op een bepaald moment zal de waterstroom een evenwicht bereiken. De instroom bij dat evenwicht is ongeveer gelijk aan de verzadigde hydraulische geleidbaarheid. En het is net dat evenwicht of die verzadigde hydraulische geleidbaarheid Ks, die we willen kennen.

De verzadigde hydraulische geleidbaarheid Ks wordt uitgedrukt in mm/u of cm/u en is sterk afhankelijk van de bodemtextuur én -structuur:
Beheerspraktijken die het gehalte aan organische stof in de bodem, de bodemaggregatie en de porositeit verbeteren, kunnen ook de infiltratie verbeteren.
| Het meten van de verzadigde hydraulische geleidbaarheid Ks | |
|---|---|
|
De vaakst gebruikte methode om de verzadigde hydraulische geleidbaarheid Ks te meten is via een "dubbele ring infiltrometer". Twee concentrische ringen worden lichtjes in de grond getikt (om een goed contact met de ondergrond bekomen) en gevuld met water. Het water in de buitenste ring dient om het bodemprofiel te helpen verzadigen: dit water zal zowel verticaal als lateraal wegstromen in de bodem. De meting van de infiltratiesnelheid gebeurt d.m.v. het water in de middelste ring: het water daaruit kan enkel verticaal wegstromen, dankzij het water uit de buitenste ring. De test kan verder uitgevoerd worden op 2 manieren: met een constante of variabele waterhoogte. Bij een variabele waterhoogte moet er manueel water toegevoegd worden in beide ringen naarmate het waterpeil zakt. Bij een constante waterhoogte moet er ook water toegevoegd worden, maar hier gebeurt dit d.mv. een zogenaamde Mariotte fles. Die zorgt ervoor dat het waterpeil continue op dezelfde hoogte blijft. |
![]() |
Onderstaande video demonstreert de werking van een dubbele ring infiltrometer met een variabele waterhoogte:
Op basis van de infiltratiesnelheid kan de volgende indeling worden gemaakt:
| Snelheid (mm/u) | Indeling | Bodemtype |
|---|---|---|
| > 20 | Hoog | Zandbodems |
| 10 - 20 | Medium | Zandige en siltbodem |
| 5 - 10 | Matig | Leembodems |
| 1 - 5 | Laag | Kleibodems |
| < 1 | Heel laag | Sodische kleibodems |
Het belang van de infiltratiesnelheid
Beheerspraktijken kunnen de infiltratie verbeteren:
Dit blogbericht werd geïnspireerd door het whitepaper "Soil And Its Acronyms" (Natham Straume - StrataGreen, Australië and Davy Ottevaere - TerraCottem BV, België).
Deze website maakt gebruik van cookies.